Heilige Jozefmaria

Dagelijkse teksten

“Mij een kind van God te voelen vervult mij met hoop”

Misschien bestaat er in het leven van de mensen niets droevigers dan de misleidingen die het gevolg zijn van het verdwijnen van de hoop of van een vervalste hoop die zich aandient met een perspectief dat niet de Liefde op het oog heeft, die verzacht zonder te verzadigen. (Vrienden van God, 208)

Als wij van onze tijdelijke werken absolute doeleinden maken door uit ons blikveld onze eeuwige rustplaats en het doel waartoe wij geschapen zijn —de Heer beminnen en loven en Hem later bezitten in de Hemel— te ontnemen, veranderen de schitterendste bedoelingen in verraad, zelfs in een middel dat schande over de schepselen brengt. Herinner u de oprechte en beroemde uitroep van de heilige Augustinus die zoveel bitterheid heeft ervaren, toen hij God niet kende en het geluk verre van Hem zocht: “U hebt ons geschapen, Heer, om de uwen te zijn. Ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U!” (H. Augustinus, Confessiones, 1, 1, 1 (PL 32, 661)). (...)

Wat mij betreft, en ik hoop dat u hetzelfde overkomt, de zekerheid mij een kind van God te voelen —te weten— vervult mij werkelijk met hoop. Deze hoop, die een goddelijke deugd is, past zich, eenmaal ingestort in de schepsels, aan onze natuur aan en is ook een zeer menselijke deugd. Ik ben gelukkig met de zekerheid van de hemel, die wij zullen bereiken als we trouw blijven tot het einde; met het geluk dat ons zal toevallen, quoniam bonus (Ps 106, 1), omdat mijn God goed is en zijn barmhartigheid oneindig. Deze overtuiging brengt mij ertoe te begrijpen, dat alleen wat getekend is met het spoor van God, het onuitwisbaar teken van de eeuwigheid toont en een onvergankelijke waarde heeft. Daarom zal de hoop geen scheiding brengen tussen mij en de dingen van deze wereld, maar mij juist op een nieuwe manier dichter bij deze werkelijkheden brengen, op een christelijke wijze die tracht in alles het verband tussen de natuur, de gevallen natuur, en God Schepper, en God Verlosser te ontdekken. (Vrienden van God, 208)